Op alle percelen groeien verschillende soorten zegge en in natte graslanden vindt men Pinksterbloem. In de bossen treft men vooral Slanke Sleutelbloem vergezeld van andere bosvoorjaarsbloeiers zoals Muskuskruid, Speenkruid, Gevlekte Aronskelk, om er maar enkele te noemen. Een gedeelte van de percelen aan de trekgracht zijn ingenomen door rietvegetatie.

Door de aanwezigheid van populieren komen vooral stikstofminnende planten voor van het type Moerasspirea en Harig Wilgeroosje. Aan de randen vinden we Witte- en Gele dovenetel.

Verder is er nog Dagkoekoeksbloem, Look-zonder-look , Zenegroen, Penningkruid, Ereprijsfamilie... In de grachten, met een goede waterkwaliteit, groeit Gele lis, Watermunt, Veenwortel, Sterrekroos, Waterweegbree, Waterviolier, Gedoornd hoornblad, Wolfspoot, Waterviolier (zie foto) en riet.

De onderbegroeiing bestaat uitsluitend uit enkele Vlierstruiken, Zwarte els, Es, Meidoorn en Gelderse roos. Achtergelaten dood hout creëert plaatsen voor een groot aantal zwammen en doodhoutopruimers. Door de verrijking van de bodem worden stikstofarme planten meer en meer verdrongen door stikstofminnende planten.